Grandpa

‘The secret’ – 2014 – 138 x 99 cm – gouache, pencil, pastel on paper – Dela Art Collection


Mijn zus schreef me dat ze best begreep waarom ik het roze beeld van Franz West zo mooi vond en refereerde aan dit werk. Het is de stoel die mijn grootvader maakte, waarin hij altijd zat om de aardappelen te schillen voor het kosthuis dat opa en oma later runden. Ik mocht als kleine jongen de aardappelen stapelen. We hadden een geheim dat niemand mocht weten;  opa sneed met zijn scherpe mes van lucifers prikkers die ik tussen de aardappelen prikte, waarmee ik torenhoog kwam en ze nooit omvielen.

My sister wrote to me that she understood well why I liked the pink sculpture of Franz West so much and referred to this work. It is the chair that my grandfather made, in which he always sat to peel the potatoes for the boardhouse that grandfather and grandmother later ran. I was allowed to stack the potatoes as a young boy. We had a secret that no one should know; grandpa cut with his sharp knife  matches that I pricked between the potatoes, with which I was able to built towers that never fell over.

This was blogpost number 100!

Franz West

 

ADD86620-5585-4840-83B3-A4DE03EBA32C

Een Oostenrijkse kunstenaar met gevoel voor humor, daar zijn er niet zoveel van. 
Bij een tentoonstelling van Franz West denk je vaak; dat ie dat dúrft en er mee wegkomt. Van de pot gerukt en tóch goed. Opnieuw een kunstenaar die zich vrijheden permitteert waarop je alleen maar jaloers kunt zijn. In het Centre Pompidou is er tot 10 december nog een aanstekelijk overzicht te zien van zijn werk. In het voorjaar verhuist de tentoonstelling naar Tate Modern. 
Er is veel te zien, veel om bij te gniffelen, maar het meest genoot ik toch van zijn sculpturen die schijnbaar moeiteloos uitvergroot dezelfde kwaliteit weten te behouden als de kleine schaal-modellen. Voor kleine sculpturen geldt altijd het ‘sokkelprobleem’, hoe plaats je het beeld? Conservator Hans Janssen bedacht ooit om de kleine beelden van Emo Verkerk in het Gemeentemuseum den Haag op meubilair te plaatsen dat toch in de opslag stond. Glanzend gepoetste jaren ’20 houten bureau’s en stoelen waarop de geknutselde vogels stonden te pronken. Franz West loste het zo op:

Verklaarde zelfs de sokkel tot beeld door het gewoon om te draaien.

 

An Austrian artist with a sense of humor, there are rare!
You often think at an exhibition of Franz West; that he dares that and gets away with it. Bonkers but good. Once again an artist who allows himself freedom where you can only be jealous. In the Centre Pompidou, there is a contagious overview of his work until December 10. In the spring the exhibition moves to Tate Modern.
There is a lot to see, a lot to chuckle up, but I enjoyed most of all his sculptures that seemingly effortlessly enlarged maintain the same quality as the small scale models. The ‘pedestal problem’ always applies to small sculptures, how do you position the image? Conservator Hans Janssen ever thought of placing the small statues of Emo Verkerk in the Gemeentemuseum The Hague on furniture that was still in storage. Brightly polished 1920’s wooden desks and chairs on which the tinkered birds stood to show off. Franz West solved it in a different way (photo above)

 

Afbeeldingsresultaat voor franz west rotterdam

 

In Rotterdam liggen langs het water -als je naar het Boijmans loopt -de gekleurde ‘stokbroden’ waarop mensen af en toe zitten om hun broodje op te eten. Dingen van niks zijn het, beetje onhandig in elkaar gelast, raar van kleur en toch prachtig.

In Rotterdam along the water – if you walk to the Boijmans Museum – the colored baguettes’ people occasionally sit down to eat their sandwiches. Blunt shapes, little awkwardly welded together, weird in color and still beautiful.

 

5A40426D-C087-4685-89A9-17B17B9FF156DC2BE5E5-4CD6-4A5F-909A-1F763B0DCF78West was al ‘interactive’ voor het woord in de kunst was uitgevonden. Zijn ‘Passstücke’ (‘adaptives’) van gips en staaldraad zijn gemaakt om opgepakt te worden, te dragen, mee te spelen en leidden al decennia lang tot vrolijke performances.

West was already ‘interactive’ before the word in art was invented. His ‘Passstücke’ (‘adaptives’) of plaster and steel wire were made to be picked up, carried, to play with and have led to cheerful performances for decades.

 

 

 

Radieuse

BBF1D6A2-B89C-439E-8CA8-E0D21B8B373D

Een turquoise betegeld pierenbadje onder de kindercrèche, op het dak van het enorme flatgebouw, dat vooral herinner ik me van een bezoek aan Cité radieuse, het appartementen gebouw dat Corbusier net na de oorlog voor de stad Marseille ontwierp. Officieel bekend onder de naam Unité d’Habitation. En een aardige mevrouw die er vanaf het begin woonde en het tot haar taak zag mensen een blik te laten werpen in het interieur van een van de appartementen. Dat was in Marseille in 2006.
Nu zag ik in het architectuurmuseum van Parijs, officieel ‘Cité de l’architecture et du patrimoine’ , het interieur van een zorgvuldig nagebouwde flat – net als die ik toen bezocht, zoals le Corbusier het bedoeld heeft. Wat is het toch dat (schaal-)modellen, maquettes en reconstructies zo aantrekkelijk maakt.

Alles in de flat is vernuftig, slim bedacht. Ingebouwde boekenkastjes, een schuifdeur met schoolbordverf voor de kinderkamers, een opbergplek onder de trede die met lekkere kussens een zitplaats wordt, kleine versieringen in de betonnen balkontafel, een handige indeling van de (open!) keuken. Het derde huis van Corbusier dat ik in Parijs zie en opnieuw past het als een jas.

47C830FA-EE15-4CA4-9F55-D0F49D3228AB

A turquoise tiled wading pool under the nursery, on the roof of the huge apartment building, is what I remember best from a visit to Cité radieuse, the apartment building that Corbusier designed for the city of Marseille just after the war. Officially known under the name Unité d’Habitation. And I remember a nice lady who lived there from the beginning and it was her wish to let people take a look at the interior of her apartment. That was in Marseille in 2006.
Now I saw in the architectural museum of Paris, officially ‘Cité   de l’architecture et du patrimoine’, a carefully reconstructed flat as I then visited, as Le Corbusier intended it. What is it that makes scale models and reconstructions so attractive.

Everything in the flat is ingenious, cleverly conceived. Built-in bookcases, a sliding door with chalkboard paint for the children’s rooms, a storage place under the tread that becomes a seat with nice cushions, small decorations in the concrete balcony table, a convenient layout of the (open!) kitchen. The third house of Corbusier that I see in Paris and again it fits like a coat.

A15DFD0D-358D-4EFB-889B-9538EFC5629B

Een zaalwacht legde met plezier uit hoe het met de voordeur zit. De brieven schuift de postbode door de smalle brievenbus met het plexiglas plaatje. Het bovendeurtje is voor de bakker en de kruidenier, het blauwe metalen kastje is voor de geleverde zuivel, het vak eronder herbergt een blok ijs met een afvoerslangetje voor het smeltwater!

A guard explained with pleasure how it is with the front door. The letters slides the postman through the narrow mailbox with the plexiglass plate. The upper door is for the baker and the grocery, the blue metal cupboard is for the delivered dairy, the box underneath it houses a block of ice with a drain hose for the melting ice!

858238E4-D26E-42F8-91B5-219B92F0F3A5

 

http://www.citedelarchitecture.fr

Grayson Perry

 

64F11B75-10C1-4FAA-B055-51604824BA2D

‘By trying not to be original I found my distinctive voice’

Ze zijn er: kunstenaars die wars van mode geheel hun eigen gang gaan, tegen de stroom in, volkomen onafhankelijk hun weg zoeken en tóch een groot publiek weten te bereiken. De Brit Grayson Perry is er zo een. Opgegroeid in een ingewikkeld gezin in Essex waar hij zich al op jonge leeftijd uit terug moest trekken,  is hij zijn teddybeer van toen, Alan Measles, trouw gebleven. Vernoemd naar Alan, een vriend uit zijn kindertijd met wie hij tegelijkertijd de mazelen kreeg. De beer vervult nog steeds een belangrijke rol in zijn werk.
Perry vond aanvankelijk in keramiek zijn medium, toen dat in de hedendaagse kunst nog een bedenkelijk materiaal was. Hij ging wandkleden maken toen dat nog niet bon ton was en droeg graag vrouwenkleding vér voor de gender-discussies.

Wat ik zo knap vind is dat hij de zwaarste onderwerpen (identiteit, sexualiteit, macht, politiek) met humor benadert zonder dat het flauw wordt, provocatief is zonder vervelend te zijn, en in full dress ook bewonderd wordt door de hooligans van Chelsea. Hij is uiterst innemend, slim en nieuwsgierig. In een serie over ‘taste’ die hij voor Chanel 4 maakte beweegt hij zich met hetzelfde gemak in de lower- als in de upperclass. Zonder vooroordelen, zonder moreel oordelen.

 

Grayson-Perry-I-Love-Beauty-2005-Private-Collection-02.jpg

They are there: artists who go their own way, against the current fashion, completely independently and yet able to reach a large audience. The Brit Grayson Perry is one of them. Having grown up in a complicated family in Essex, where he had to get away from at an early age, he remained faithful to his teddy bear, Alan Measles. Alan was his friend when he was eight with whom he got the measles at the same time. The bear still plays an important role in his work.
Perry initially found his medium in ceramics, when that was still a questionable material in contemporary art. He was going to make wall hangings when it was not done and liked to wear women’s clothing far ahead of the gender discussions.

What I find so good is that he approaches the heaviest subjects (identity, sexuality, power, politics) with humor without being faint, provocative without being annoying, and in full dress being admired by the hooligans of Chelsea. He is extremely engaged, smart and curious. In a series about ‘taste’ he made for Chanel 4 he moves with the same ease both in the lower and in the upperclass. Without prejudice, without moral judgments.

 

IMG_7672.jpg

 

 

 

Tot 3 februari 2019 is er in de Monnaie de Paris een aantrekkelijk overzicht te zien van zijn werk, met een aantal nieuwe gobelins die betrekking hebben op de Brexit, de motor natuurlijk, Measles, de jurken, veel vazen en grote, nieuwe houtdrukken.

Er is op youtube een schat aan gesprekken, documentaires, en lezingen van Perry te vinden. Deze is mooi:
About the working class’ taste: http://www.youtube.com/watch?v=QJVWvhZQJJE

1DBCBD4B-254D-4D8C-9905-CAF176DB7AAD
motorcycle with chapel at the back, housing Alan Measles

Until February 3, 2019, the Monnaie de Paris shows an attractive overview of his work, with a number of new gobelins related to the Brexit, the motorcycle of course, Measles, the dresses, many vases and large new wood prints.

There is a wealth of conversations, documentaries, and Perry lectures to be found on youtube.

 

 

571DFEE7-B96B-4724-948F-B37FF1B621C7

perry and queen.jpg

 

 

 

 

 

Ron Amir

 

48D5CACC-728F-4201-AC74-FBD654BBC917
the oven

0919A777-0E48-41A5-BA5F-8F5263F64BB4
the dining corner

 

BF3A6102-4C60-4483-A468-682DAA4A620E
the hamam

Er is een goeie tekenaar die Ron Amir heet, hier in Amsterdam en er is een goeie Israëlische fotograaf met dezelfde naam, die nu in het Musée d’Art Moderne in Parijs een tentoonstelling heeft met foto’s die hij gedurende een aantal jaren maakte van Sudanese en Eritrese vluchtelingen in het Zuiden van Israel. En hoewel dat land is gebouwd als toevluchtsoord voor vluchtelingen uit de hele wereld, loopt de integratie van deze Afrikaanse asielzoekers daar uiterst moeizaam. Vele tienduizenden zitten al vele jaren vast in detentie-centra. ‘Somewhere in the desert’ is een serie van zo’n 30 foto’s, waaraan je kunt zien dat de maker begaan is met de mensen die daar verblijven, al zijn ze niet in beeld. Zonder mensen getuigen ze van de veerkracht in de meest erbarmelijke omstandigheden en het vermogen het toch zo comfortabel mogelijk te maken. Daarin doen de foto’s denken aan die van Henk Wildschut, die het leven van de vluchtelingen in Calais vastlegde.

 

 

There is a good artist named Ron Amir, here in Amsterdam
and there is a good Israeli photographer with the same name,
who now has an exhibition in the Musée d’Art Moderne in Paris with photographs he made of Sudanese and Eritrean refugees in the South of Israel. And although that country was built as a refuge for refugees from all over the world, the integration of these African asylum seekers is extremely difficult. Many tens of thousands have been kept in detention-centers for many years.
Somewhere in the desert’ is a series of about 30 photos, from which you can see that the maker is concerned with the people who stay there, even though they are not in the picture.

Without people, they testify to the resilience in the most appalling conditions and the ability to make life as comfortable as possible. In it, the photos are reminiscent of those of Henk Wildschut, who recorded the lives of the refugees in Calais.

 

 

 

 

 

 

Neige

59B00164-9A93-476A-BB26-DE784A6CBBA3

In de aanwinstenkast van la Bibliothèque Sainte Geneviève:

2 raquettes de neige
17e siècle – origine: Amérique du Nord, Canada?

Ces 2 raquetts pour marcher dans la neige seraient parmi les plus anciennes connues.

These 2 snowshoes for walking in the snow would be among the oldest known.

 

 

 

 

 

Georges Focus

 

In het Nationaal Museum van Mexico stad werd de kunstcollectie in tweeën gedeeld; éen etage voor de kunstenaars met een academische opleiding en een zónder. En natuurlijk was de afdeling van de autodidacten aantrekkelijker en interessanter.
De termen Art Brut en outsiderkunst worden vaak door elkaar gebruikt, maar duiden vanouds op kunstenaars die zich onderscheiden door hun puurheid, wars van culturele codes en voorschriften, veelal een gevolg van een psychische beperking.  Dit in tegenstelling tot kunstenaars die door hun opleiding van hun authentieke spontaniteit zouden zijn beroofd!

In Musée Victor Hugo zag ik in februari een erg mooie, bescheiden tentoonstelling La folie en tête, waarin een overzicht te zien was van tekeningen en sculpturen die gemaakt waren in psychiatrische instellingen die voor het eerst experimenteerden met ‘kunsttherapie’ en de patiënten daarin uiterst serieus namen. De collecties die daaruit voortgekomen zijn werden vernoemd naar de psychiaters die het initiatief namen, Prinzhorn en Morgenthaler en zijn inmiddels vermaard en onbetaalbaar.

Outsiderkunst is big business geworden. Er zijn verzamelaars, speciale musea (Dr Guislain in Gent, LaM in Lille), kunstbeurzen en magazines. Hoe gemarginaliseerd is outsiderkunst nog? En kunnen we wel spreken van een verschil tussen outsiders en insiders? Er is -zeker onder kunstenaars- een grote belangstelling, misschien wel verlangen naar een tegenhanger van de hedendaagse kunstenaar die zichzelf profileert als ‘cultureel ondernemer’ of ‘artistic researcher’. Maar het heeft allemaal iets ongemakkelijks, iets dubbels, dat label ‘outsider’. Hoe groot de aantrekkingskracht ook is van de collages van Henry Darger, het notenschrift van Wölfli, de duizeligmakende stadsportretten van Willem van Genk, de tunnels van Ramirez, de dichtbeschreven vellen, de obsessieve opsommingen, bouwsels  en eindeloze herhalingen. Het onbeholpen bezetene, trefzekere is jaloersmakend.

In de École des Beaux Arts is nu een tentoonstelling samengesteld met tekeningen van een zeventiende eeuwse kunstenaar, Georges Focus (1644-1708) . Fantastische tekeningen zijn het. Allemaal op hetzelfde staande formaat, in dezelfde bruine inkt, onderaan voorzien van een soort logo; een palet en een kleine vogel. Dichtbeschreven teksten in krullerige banieren, complexe historische en mythologische verhalen, soms burlesk, soms gewelddadig. Alle ingelijste tekeningen werden dubbelzijdig getoond omdat de achterkanten van boven tot onder beschreven waren in hetzelfde regelmatige handschrift.
Hij begon als een gewaardeerd, tamelijk conventionele landschapsschilder, mocht naar Rome in 1666, werd lid van de Academie, kreeg opdrachten, maar verdween van de radar. Later onderzoek wees uit dat hij bijna dertig jaar van zijn leven in een instelling verbleef, ‘Petites Maisons’, waar hij het leeuwendeel van de getoonde tekeningen maakte. Daar is dus gelukkig iemand geweest die er de waarde van inzag en er zorg voor droeg, zodat ik nu met mijn neus op de wonderlijkste scenes sta die iemand driehonderdvijftig jaar geleden -helemaal voor zichzelf- met een klein pennetje op papier zette.

 

IMG_8125.jpg

 

In the National Museum of Mexico City, the art collection was divided in two; one floor for the artists with an academic education and one without. And of course the department of the self-taught was more attractive and interesting.
The terms Art Brut and outsider-art are often used interchangeably, but traditionally refer to artists who distinguish themselves by their purity, averse to cultural codes and regulations, often a consequence of a psychological limitation. This is in contrast to artists who were deprived of their authentic spontaneity because of their education!

In Musée Victor Hugo I saw in February a very beautiful, modest exhibition La folie en tête, which featured an overview of drawings and sculptures that were made in psychiatric institutions that experimented for the first time with ‘art therapy’ and that took the patients in them very seriously. The resulting collections were named after the psychiatrists who took the initiative, Prinzhorn and Morgenthaler and are now renowned and priceless.

Outsider-art has become big business. There are collectors, special museums (Dr Guislain in Ghent, LaM in Lille), art-fairs and magazines. How marginalized is outsider art yet? And can we speak of a difference between outsiders and insiders? There is – certainly among artists – a great interest, perhaps a desire for a counterpart of the contemporary artist who profiles himself as ‘cultural entrepreneur’ or ‘artistic researcher’. But it all has something uncomfortable, something double, that label ‘outsider’. However great the appeal is of the collages of Henry Darger, the notation of Wölfli, the dizzying city portraits of Willem van Genk, the tunnels of Ramirez, the closed sheets, the obsessive summaries, constructions and endless repetitions. The awkwardly possessed, can make one jealous.

In the École des Beaux Arts an exhibition has now been compiled with drawings by a seventeenth-century artist, Georges Focus (1644-1708). They are fantastic drawings. All in the same standing format, in the same brown ink, at the bottom a kind of logo; a palette and a small bird. Dense texts in curly banners, complex historical and mythological stories, sometimes burlesque, sometimes violent. All framed drawings were shown double-sided because the back sides were described from top to bottom in the same regular handwriting.
He started as a successful, fairly conventional landscape painter, was allowed to go to Rome in 1666, became a member of the Academy, received commissions, but disappeared from the radar. Later research showed that he spent almost thirty years of his life in an institution, “Petites Maisons,” where he made the biggest share of the drawings shown. So fortunately there has been someone who saw the value of it and took care of it, so that I now stand with my nose at the most wonderful scenes that someone put on paper with a small pen, a threehundred and fifty years ago – completely for himself.

 

08F77D32-88C6-4357-BF4A-8D46B4C2DFE8

de achterzijde van elke tekening:
the backside of every drawing:

C21D28DA-7925-45F5-871E-FFBEF66C733C

76E59A01-3575-4E09-BF11-57C453008D6A9D894383-B2AA-4519-80BA-BFFFD9043016

 

IMG_8126.jpg

99796BF1-9DA3-4EF0-AFDF-2A23A090551F