Grayson Perry

 

64F11B75-10C1-4FAA-B055-51604824BA2D

‘By trying not to be original I found my distinctive voice’

Ze zijn er: kunstenaars die wars van mode geheel hun eigen gang gaan, tegen de stroom in, volkomen onafhankelijk hun weg zoeken en tóch een groot publiek weten te bereiken. De Brit Grayson Perry is er zo een. Opgegroeid in een ingewikkeld gezin in Essex waar hij zich al op jonge leeftijd uit terug moest trekken,  is hij zijn teddybeer van toen, Alan Measles, trouw gebleven. Vernoemd naar Alan, een vriend uit zijn kindertijd met wie hij tegelijkertijd de mazelen kreeg. De beer vervult nog steeds een belangrijke rol in zijn werk.
Perry vond aanvankelijk in keramiek zijn medium, toen dat in de hedendaagse kunst nog een bedenkelijk materiaal was. Hij ging wandkleden maken toen dat nog niet bon ton was en droeg graag vrouwenkleding vér voor de gender-discussies.

Wat ik zo knap vind is dat hij de zwaarste onderwerpen (identiteit, sexualiteit, macht, politiek) met humor benadert zonder dat het flauw wordt, provocatief is zonder vervelend te zijn, en in full dress ook bewonderd wordt door de hooligans van Chelsea. Hij is uiterst innemend, slim en nieuwsgierig. In een serie over ‘taste’ die hij voor Chanel 4 maakte beweegt hij zich met hetzelfde gemak in de lower- als in de upperclass. Zonder vooroordelen, zonder moreel oordelen.

 

Grayson-Perry-I-Love-Beauty-2005-Private-Collection-02.jpg

They are there: artists who go their own way, against the current fashion, completely independently and yet able to reach a large audience. The Brit Grayson Perry is one of them. Having grown up in a complicated family in Essex, where he had to get away from at an early age, he remained faithful to his teddy bear, Alan Measles. Alan was his friend when he was eight with whom he got the measles at the same time. The bear still plays an important role in his work.
Perry initially found his medium in ceramics, when that was still a questionable material in contemporary art. He was going to make wall hangings when it was not done and liked to wear women’s clothing far ahead of the gender discussions.

What I find so good is that he approaches the heaviest subjects (identity, sexuality, power, politics) with humor without being faint, provocative without being annoying, and in full dress being admired by the hooligans of Chelsea. He is extremely engaged, smart and curious. In a series about ‘taste’ he made for Chanel 4 he moves with the same ease both in the lower and in the upperclass. Without prejudice, without moral judgments.

 

IMG_7672.jpg

 

 

 

Tot 3 februari 2019 is er in de Monnaie de Paris een aantrekkelijk overzicht te zien van zijn werk, met een aantal nieuwe gobelins die betrekking hebben op de Brexit, de motor natuurlijk, Measles, de jurken, veel vazen en grote, nieuwe houtdrukken.

Er is op youtube een schat aan gesprekken, documentaires, en lezingen van Perry te vinden. Deze is mooi:
About the working class’ taste: http://www.youtube.com/watch?v=QJVWvhZQJJE

1DBCBD4B-254D-4D8C-9905-CAF176DB7AAD
motorcycle with chapel at the back, housing Alan Measles

Until February 3, 2019, the Monnaie de Paris shows an attractive overview of his work, with a number of new gobelins related to the Brexit, the motorcycle of course, Measles, the dresses, many vases and large new wood prints.

There is a wealth of conversations, documentaries, and Perry lectures to be found on youtube.

 

 

571DFEE7-B96B-4724-948F-B37FF1B621C7

perry and queen.jpg

 

 

 

 

 

Ron Amir

 

48D5CACC-728F-4201-AC74-FBD654BBC917
the oven
0919A777-0E48-41A5-BA5F-8F5263F64BB4
the dining corner

 

BF3A6102-4C60-4483-A468-682DAA4A620E
the hamam

Er is een goeie tekenaar die Ron Amir heet, hier in Amsterdam en er is een goeie Israëlische fotograaf met dezelfde naam, die nu in het Musée d’Art Moderne in Parijs een tentoonstelling heeft met foto’s die hij gedurende een aantal jaren maakte van Sudanese en Eritrese vluchtelingen in het Zuiden van Israel. En hoewel dat land is gebouwd als toevluchtsoord voor vluchtelingen uit de hele wereld, loopt de integratie van deze Afrikaanse asielzoekers daar uiterst moeizaam. Vele tienduizenden zitten al vele jaren vast in detentie-centra. ‘Somewhere in the desert’ is een serie van zo’n 30 foto’s, waaraan je kunt zien dat de maker begaan is met de mensen die daar verblijven, al zijn ze niet in beeld. Zonder mensen getuigen ze van de veerkracht in de meest erbarmelijke omstandigheden en het vermogen het toch zo comfortabel mogelijk te maken. Daarin doen de foto’s denken aan die van Henk Wildschut, die het leven van de vluchtelingen in Calais vastlegde.

 

 

There is a good artist named Ron Amir, here in Amsterdam
and there is a good Israeli photographer with the same name,
who now has an exhibition in the Musée d’Art Moderne in Paris with photographs he made of Sudanese and Eritrean refugees in the South of Israel. And although that country was built as a refuge for refugees from all over the world, the integration of these African asylum seekers is extremely difficult. Many tens of thousands have been kept in detention-centers for many years.
Somewhere in the desert’ is a series of about 30 photos, from which you can see that the maker is concerned with the people who stay there, even though they are not in the picture.

Without people, they testify to the resilience in the most appalling conditions and the ability to make life as comfortable as possible. In it, the photos are reminiscent of those of Henk Wildschut, who recorded the lives of the refugees in Calais.

 

 

 

 

 

 

Neige

59B00164-9A93-476A-BB26-DE784A6CBBA3

In de aanwinstenkast van la Bibliothèque Sainte Geneviève:

2 raquettes de neige
17e siècle – origine: Amérique du Nord, Canada?

Ces 2 raquetts pour marcher dans la neige seraient parmi les plus anciennes connues.

These 2 snowshoes for walking in the snow would be among the oldest known.

 

 

 

 

 

Georges Focus

 

In het Nationaal Museum van Mexico stad werd de kunstcollectie in tweeën gedeeld; éen etage voor de kunstenaars met een academische opleiding en een zónder. En natuurlijk was de afdeling van de autodidacten aantrekkelijker en interessanter.
De termen Art Brut en outsiderkunst worden vaak door elkaar gebruikt, maar duiden vanouds op kunstenaars die zich onderscheiden door hun puurheid, wars van culturele codes en voorschriften, veelal een gevolg van een psychische beperking.  Dit in tegenstelling tot kunstenaars die door hun opleiding van hun authentieke spontaniteit zouden zijn beroofd!

In Musée Victor Hugo zag ik in februari een erg mooie, bescheiden tentoonstelling La folie en tête, waarin een overzicht te zien was van tekeningen en sculpturen die gemaakt waren in psychiatrische instellingen die voor het eerst experimenteerden met ‘kunsttherapie’ en de patiënten daarin uiterst serieus namen. De collecties die daaruit voortgekomen zijn werden vernoemd naar de psychiaters die het initiatief namen, Prinzhorn en Morgenthaler en zijn inmiddels vermaard en onbetaalbaar.

Outsiderkunst is big business geworden. Er zijn verzamelaars, speciale musea (Dr Guislain in Gent, LaM in Lille), kunstbeurzen en magazines. Hoe gemarginaliseerd is outsiderkunst nog? En kunnen we wel spreken van een verschil tussen outsiders en insiders? Er is -zeker onder kunstenaars- een grote belangstelling, misschien wel verlangen naar een tegenhanger van de hedendaagse kunstenaar die zichzelf profileert als ‘cultureel ondernemer’ of ‘artistic researcher’. Maar het heeft allemaal iets ongemakkelijks, iets dubbels, dat label ‘outsider’. Hoe groot de aantrekkingskracht ook is van de collages van Henry Darger, het notenschrift van Wölfli, de duizeligmakende stadsportretten van Willem van Genk, de tunnels van Ramirez, de dichtbeschreven vellen, de obsessieve opsommingen, bouwsels  en eindeloze herhalingen. Het onbeholpen bezetene, trefzekere is jaloersmakend.

In de École des Beaux Arts is nu een tentoonstelling samengesteld met tekeningen van een zeventiende eeuwse kunstenaar, Georges Focus (1644-1708) . Fantastische tekeningen zijn het. Allemaal op hetzelfde staande formaat, in dezelfde bruine inkt, onderaan voorzien van een soort logo; een palet en een kleine vogel. Dichtbeschreven teksten in krullerige banieren, complexe historische en mythologische verhalen, soms burlesk, soms gewelddadig. Alle ingelijste tekeningen werden dubbelzijdig getoond omdat de achterkanten van boven tot onder beschreven waren in hetzelfde regelmatige handschrift.
Hij begon als een gewaardeerd, tamelijk conventionele landschapsschilder, mocht naar Rome in 1666, werd lid van de Academie, kreeg opdrachten, maar verdween van de radar. Later onderzoek wees uit dat hij bijna dertig jaar van zijn leven in een instelling verbleef, ‘Petites Maisons’, waar hij het leeuwendeel van de getoonde tekeningen maakte. Daar is dus gelukkig iemand geweest die er de waarde van inzag en er zorg voor droeg, zodat ik nu met mijn neus op de wonderlijkste scenes sta die iemand driehonderdvijftig jaar geleden -helemaal voor zichzelf- met een klein pennetje op papier zette.

 

IMG_8125.jpg

 

In the National Museum of Mexico City, the art collection was divided in two; one floor for the artists with an academic education and one without. And of course the department of the self-taught was more attractive and interesting.
The terms Art Brut and outsider-art are often used interchangeably, but traditionally refer to artists who distinguish themselves by their purity, averse to cultural codes and regulations, often a consequence of a psychological limitation. This is in contrast to artists who were deprived of their authentic spontaneity because of their education!

In Musée Victor Hugo I saw in February a very beautiful, modest exhibition La folie en tête, which featured an overview of drawings and sculptures that were made in psychiatric institutions that experimented for the first time with ‘art therapy’ and that took the patients in them very seriously. The resulting collections were named after the psychiatrists who took the initiative, Prinzhorn and Morgenthaler and are now renowned and priceless.

Outsider-art has become big business. There are collectors, special museums (Dr Guislain in Ghent, LaM in Lille), art-fairs and magazines. How marginalized is outsider art yet? And can we speak of a difference between outsiders and insiders? There is – certainly among artists – a great interest, perhaps a desire for a counterpart of the contemporary artist who profiles himself as ‘cultural entrepreneur’ or ‘artistic researcher’. But it all has something uncomfortable, something double, that label ‘outsider’. However great the appeal is of the collages of Henry Darger, the notation of Wölfli, the dizzying city portraits of Willem van Genk, the tunnels of Ramirez, the closed sheets, the obsessive summaries, constructions and endless repetitions. The awkwardly possessed, can make one jealous.

In the École des Beaux Arts an exhibition has now been compiled with drawings by a seventeenth-century artist, Georges Focus (1644-1708). They are fantastic drawings. All in the same standing format, in the same brown ink, at the bottom a kind of logo; a palette and a small bird. Dense texts in curly banners, complex historical and mythological stories, sometimes burlesque, sometimes violent. All framed drawings were shown double-sided because the back sides were described from top to bottom in the same regular handwriting.
He started as a successful, fairly conventional landscape painter, was allowed to go to Rome in 1666, became a member of the Academy, received commissions, but disappeared from the radar. Later research showed that he spent almost thirty years of his life in an institution, “Petites Maisons,” where he made the biggest share of the drawings shown. So fortunately there has been someone who saw the value of it and took care of it, so that I now stand with my nose at the most wonderful scenes that someone put on paper with a small pen, a threehundred and fifty years ago – completely for himself.

 

08F77D32-88C6-4357-BF4A-8D46B4C2DFE8

de achterzijde van elke tekening:
the backside of every drawing:

C21D28DA-7925-45F5-871E-FFBEF66C733C

76E59A01-3575-4E09-BF11-57C453008D6A9D894383-B2AA-4519-80BA-BFFFD9043016

 

IMG_8126.jpg

99796BF1-9DA3-4EF0-AFDF-2A23A090551F

Mollard

ED6439DB-805F-427B-ACDC-E8257B7B189F

4F409FDB-0F6D-4A93-AC2D-B9ABFC561A1D

Restaurant Mollard, tegenover Gare St Lazare, met het interieur uit 1895, waar obers vakmannen zijn die alles in de gaten houden, het vlees trancheren, de flensjes flamberen en je glas bijschenken. Zoals dineren in een restaurant bedoeld is.

MAD

 

97D98D5A-CF96-4006-8D70-262D3BDCC1A8

In een 18de eeuwse donker houten paneelkamer, zo een als er nu -leeg- ook in het Rijksmuseum te zien is, staat deze feestelijke tafel opgesteld.

In een reeks voorbeeldige opstellingen toont het net heropende Musée d’Arts Décoratifs (MAD) in een vleugel van het Louvre de geschiedenis van (vooral) Franse vormgeving op alle terreinen. Van een slaapkamer uit de Middeleeuwen tot de Mondriaan jurk van Yves Saint Laurent.

In a series of exemplary exhibits, the newly reopened Musée d’Arts Décoratifs (MAD) in a wing of the Louvre shows the history of (mostly) French design in all areas. From a bedroom from the Middle Ages to the Mondriaan dress by Yves Saint Laurent.

 

 

En in de hoge hal is nu een tentoonstelling gebouwd met het alle disciplines beslaande oeuvre van de Italiaanse ontwerper Gio Ponti (1891-1979). Ik kende hem alleen van de Pirelli toren in Milaan, en van zo’n ranke eetkamerstoel, maar hij ontwierp espresso-machines, gordijnen, een kathedraal, behang, keramiek, klokken, fresco’s, universiteiten, bestek, hotels en bedacht in 1928 het vormgevings-magazine DOMUS, dat nog steeds bestaat.

And now an exhibition has been built in the high hall with the all disciplines of the Italian designer Gio Ponti (1891-1979). I only knew him from the Pirelli tower in Milan, and from such a slender dining room chair, but he designed espresso machines, curtains, a cathedral, wallpaper, ceramics, clocks, frescoes, universities, cutlery, hotels and invented in 1928 the design -magazine DOMUS, which still exists.

 

IMG_7813

IMG_7814

 

 

Hier wil ik wel eens naar toe: het Hotel Parco dei Principi (1960) in Sorrento, waar alles is uitgevoerd in de kleuren blauw en wit en elke kamervloer voorzien is van een ander tegelpatroon. Ongelooflijk fris, helder en optimistisch.

Here I want to go: the Hotel Parco dei Principi (1960) in Sorrento, where everything is done in the colors blue and white and each room floor is decorated with a different tile pattern.
Incredibly fresh, clear and optimistic.

 

 

 

 

IMG_8090

IMG_7799

 

IMG_7795

 

 

 

 

Netsuke

 

IMG_8029

 

Achter de doorgaans gesloten luiken van dit huis, 59 Avenue Foch, schuin tegenover het appartement van Maria Callas, is een bijzonder museum gevestigd.
In de tweede helft van de negentiende eeuw -Japan is nog maar net opengesteld- verzamelde het echtpaar Clémence en Adolphe d’Ennery objecten uit China en Japan en liet in 1875 dit huis bouwen om die verzameling onder te brengen. Een huis op maat en ongewijzigd sinds 1892, toen besloten werd het in zijn geheel na te laten aan de staat en toen al open te stellen voor het publiek. Een beetje donker en stoffig;  een duizelig makende collectie van duizenden voorwerpen uit het Verre Oosten in speciaal vervaardigde vitrines en kasten. De meeste zijn gevuld met meer dan 300 netsuke’s, het Japanse kleinood dat als knoop diende voor het koord om de kimono waaraan een klein tasje hing – een kimono heeft geen zakken.

In The hare with amber eyes, van Edmund de Waal, beschrijft hij zijn familiegeschiedenis aan de hand van de 294 netsuke’s die hij erfde, en die in diezelfde periode verzameld werd door zijn oud oom Charles Ephrussi, ook woonachtig in Parijs. Ik vroeg me meteen af hoe dat toen gegaan is, het nog schaarse goed en die fanatieke verzamelaars.

Beide zijn dus nog intact, éen collectie na omzwervingen in Londen en de ander op de plek waar het bijeenkwam, door ons te bezoeken op zaterdagmorgen tussen 11.30 en12.30 na aanmelding via dit mailadres: resa@guimet.fr

 

4CFBA807-AC74-43CB-9674-91C40788FF2D

 

Behind the closed shutters of this house, 59 Avenue Foch, diagonally opposite the apartment of Maria Callas, a special museum is located.
In the second half of the nineteenth century -Japan was only just opened- Clémence and Adolphe d’Ennery collected objects from China and Japan and had this house built in 1875 to accommodate this collection.
A house tailor-made and unchanged since 1892, when it was decided to leave it in its entirety to the state and then open it to the public. A bit dark and dusty; a dizzying collection of thousands of objects from the Far East in specially made showcases and cabinets. Most are filled with more than 300 netsuke’s, the Japanese gem that served as a knot for the cord around the kimono on which a small bag hung – a kimono has no pockets.

In The hare with amber eyes, by Edmund de Waal, he describes his family history on the basis of the 294 netsuke’s that he inherited, and which was collected in the same period by his former uncle Charles Ephrussi, also living in Paris. I immediately wondered how that went then, the scarce good and those fanatical collectors.

Both are still intact, one collection in London and the other at the place where it came together, to be visited by us on Saturday mornings between 11.30 and 12.30 after registration via this address: resa@guimet.fr

 

 

AC7E5039-A38F-42E3-8F5D-CBDB5BB15047

4FAE82B7-FE1E-4FCF-8873-49F672266938

33CDBD88-6065-421D-BD79-8A5DF7A569D7